What does komen voorbij in Dutch mean?

What is the meaning of the word komen voorbij in Dutch? The article explains the full meaning, pronunciation along with bilingual examples and instructions on how to use komen voorbij in Dutch.

The word komen voorbij in Dutch means over, voorbij, vroeger, voorbij, verdwenen, voorbij, over, gedaan, voorbij, voorbij, gebeurd, voorbij, laatste, voorbij, langs, achter, voorbij zijn, afgelopen zijn, eruit flappen, eruit flappen, voorbij vliegen, voorbij vliegen, ergens voorbij gaan, voorbij iets komen, voorbij gaan, een kans missen, zichzelf overschatten, voorbijschieten aan, voorbijgaan, voorbij-, elkaar voorbij-, voorbijgaan, voorbij zijn, iets aan zich voorbij laten gaan, laten schieten, over, afgelopen, klaar, af, voorbij, voorbij kruipen, voorbij vliegen. To learn more, please see the details below.

Listen to pronunciation

Meaning of the word komen voorbij

over

(gedaan)

voorbij, vroeger

(age, era: past)

Railway station porters belong to a bygone era.

voorbij

(beyond in position)

I am a little past the pharmacy right now.

verdwenen

(time: ended)

At one time I would have trusted him, but that time is gone.

voorbij

(beyond in number)

He is past the retirement age for his company.

over, gedaan, voorbij

(finished)

Is the news over yet?

voorbij, gebeurd

(done, over) (meestal gezegde: wat voorbij is)

Past events are over; let's concentrate on the present.

voorbij, laatste

(recent)

During the past few days, it has rained a lot.

voorbij, langs

(by)

He walked past the pharmacy.

achter

(in the past)

Those difficult times are behind us now.

voorbij zijn, afgelopen zijn

(informal (be finished, ended)

eruit flappen

(informal (divulge carelessly) (informeel)

eruit flappen

(informal (divulge information, inform)

voorbij vliegen

(time) (tijd)

Time flies when you are having fun.

voorbij vliegen

(figurative (time: pass quickly) (figuurlijk)

The hours fly by when I'm with you.

ergens voorbij gaan

(move beyond an obstruction)

Rocks had fallen on the road and we could not get past.

voorbij iets komen

(move beyond: an obstruction)

The driver was unable to get past the roadblock.

voorbij gaan

(time: pass)

Weekends go really fast.

een kans missen

(informal, figurative (lose opportunity)

You seriously missed the bus when you didn't ask Jane to the dance.

zichzelf overschatten

(fail by trying to achieve too much)

You're overreaching yourself by taking too many classes.

voorbijschieten aan

(miss, go beyond: a target, etc.)

The missile overshot its target.

voorbijgaan

(movement: move past)

The bus passed me without stopping.

voorbij-

(go by) (met ww van beweging: voorbijgaan, voorbijrijden etc.)

The bus passed without stopping for us.

elkaar voorbij-

(movement: cross) (met ww van beweging: voorbijgaan, voorbijrijden etc.)

They passed each other while running errands this morning.

voorbijgaan, voorbij zijn

(end)

That opportunity has now passed.

iets aan zich voorbij laten gaan

(informal (reject, not take) (informeel)

Ik ben bang dat ik niet op je uitnodiging inga. Ik ben die avond niet vrij.
I'm afraid I must pass on your kind invitation - I'm not free that evening.

laten schieten

(informal (forgo, deny oneself)

Val simply couldn't pass up the opportunity to spend the summer in the South of France.

over, afgelopen, klaar, af, voorbij

(past, finished)

That project is through. We are working on a new one.

voorbij kruipen

(time: pass slowly) (van tijd)

They became bored as time wore on.

voorbij vliegen

(figurative (go by fast) (figuurlijk)

De vakantie vloog voorbij.

Let's learn Dutch

So now that you know more about the meaning of komen voorbij in Dutch, you can learn how to use them through selected examples and how to read them. And remember to learn the related words that we suggest. Our website is constantly updating with new words and new examples so you can look up the meanings of other words you don't know in Dutch.

Do you know about Dutch

Dutch (Nederlands) is a language of the Western branch of the Germanic languages, spoken daily as a mother tongue by about 23 million people in the European Union — mainly living in the Netherlands and Belgium — and second language of 5 million people. Dutch is one of the languages closely related to German and English and is considered a mixture of the two.